passeren

  1. voorbijgaan: mag ik even passeren?; (sport) een tegenstander passeren met de bal voorbijgaan

  2. gebeuren

  3. overtrekken, overgaan: een brug passeren

  4. bij een benoeming overslaan: zich gepasseerd voelen tekortgedaan

  5. tekenen: een akte voor (of: bij) de notaris passeren

passeren (last edited 2017-10-25 05:33:31 by d51A48259)